Wisława Szymborska - Dubbele punt (2007)

Wisława Szymborska - Dubbele punt (2007)

Wisława Szymborska
Dubbele punt
Uitgeverij De Geus

 

Geachte mevrouw Szymborska,

 

Deze brief richt ik aan u zonder dat ik verwacht dat u hem leest, want bij mijn weten beheerst u de Nederlandse taal niet. Dat is overigens eigenlijk best opmerkelijk, want als ik de poëzie lees die u in de loop der jaren hebt gepubliceerd, dan doe ik dat in het Nederlands, en mijn gevoel waarschuwt me nergens dat het gaat om een vertaling. Mijn verstand, die weet het, maar die wordt in slaap gesust door de kracht van de inhoud.

Dat ik u een brief schrijf, is niet zomaar. De redactie van Roodkoper (hoe klinkt dat in het Pools?) heeft mij gevraagd om een recensie te schrijven van uw laatste bundel: Dubbele punt. Ik heb ja gezegd, dus wat u nu leest (of wat u dus eigenlijk nu niet leest!) is in feite een recensie. Dat ik u een brief schrijf en geen gewone recensie, doe ik omdat ik een gewone recensie niet vind passen bij uw werk. U wilt dat elk gedicht dat u schrijft een individueel eigen karakter heeft…dan vind ik dat ik geen doorsnee recensie kan schrijven. Maar daarbij komt nog iets anders: ik voel me verwant aan u; een afstandelijke recensie zou ik te onpersoonlijk vinden.

Ik voel me verwant aan u! Zo op het oog heb ik uw bloed. U had mijn moeder kunnen zijn. Om het als een pastiche op uw openingsgedicht te zggen: als mijn echte moeder mijn echte vader niet was tegengekomen, dan was ik daaruit niet geboren. Dan was ik misschien wel in Polen geconcipieerd en las ik de moedertaal van uw gedichten – nu moet ik het doen met de vertaling.

Ik voel me verwant aan u. Wist u – nee, natuurlijk niet – dat de bundel ‘Zout’, waarmee u zich aan de Poolse literaire top schaarde, en waarmee u in zekere zin poëtisch geboren werd, uitkwam in het jaar waarop ikzelf geboren werd: 1962. Toeval? Tuurlijk, maar ik vind het wel een mooi toeval.

De verwantschap die ik voel met uw werk heeft te maken met de dingen waarover u schrijft. Namelijk over alles, behalve over uzelf. U bent natuurlijk volop aanwezig in uw werk, maar altijd verborgen tussen de regels. Zoals de eerste strofe in het openingsgedicht ‘Afwezigheid’, waarin u beschrijft wie u bent door te zeggen wie u niet bent.

 

Het scheelde niet veel

of mijn moeder was getrouwd

met meneer Zbigniew B. uit Zduńska Wola.

En hadden zij een dochter gehad – ik was het niet geweest.

Misschien had ze  een beter geheugen voor namen en gezichten,

en voor elke, slechts één keer gehoorde melodie.

Herkende ze feilloos van een vogel welke het was.

Had ze uitstekende cijfers voor natuur- en scheikunde,

en slechtere voor Pools,

maar schreef ze heimelijk gedichten

meteen al stukken interessanter dan die van mij.

 

Die laatste zin vind ik opvallend. Ik weet dat u geen sterallures hebt (al bent u er wel een!), en dat men u niet snel op borstklopperij zal kunnen betrappen, maar hier bent u wat al te bescheiden. U heeft nota bene de Nobelprijs voor Literatuur ontvangen! Dat is toch niet niks. Dat zegt ook niet alles, dat ben ik met u eens. Uw poëzie vertaalt makkelijk en bekt lekker, de vorm is ondergeschikt aan de inhoud en u gebruikt bijvoorbeeld nauwelijks rijm. Rijmende en vormvaste dichters zijn eigenlijk bij voorbaat al voor de Nobelprijs uitgesloten, want die kunnen nooit echt helemaal goed vertaald worden; uw poëzie heeft die handicap niet. En dat u uw eigen persoonlijk leven niet als onderwerp kiest, is ook een pré, want daarmee creërt u een enorm, wereldlijk landschap waarover u wel kan schrijven, namelijk alles…over letters in het alfabet, over een verkeersongeval, over iemand die van bossen houdt, over de jacht van een roofdier op zijn prooi, over Darwin, over twee geliefden, een oude professor, een Grieks beeld, etc. En nooit hoeft u bang te zijn dat u een gedicht heeft geschreven dat niet past in een bepaald hoofdstuk of zo, want u bent geen oeuvreschrijver. U bent dichter, u schrijft gedichten, zonder volgorde. En ook daarin voel ik me verwant aan u, mijn eigen poëtisch landschap kent ook geen beperkingen, zolang het maar niet over mijn eigen persoonlijk leven hoeft te gaan. Om te weten wie wij zijn, moet men onze gedichten goed lezen, moet er moeite worden gedaan. Er moet moeite gedaan worden om ons te leren kennen! Dat zou er op kunnen wijzen dat we eigenlijk liever niét gekend willen worden, maar dat is niet waar. We willen graag, juist heel graag gekend worden. Daarom misschien maken we de poëtische drempel niet al te hoog. U schrijft geen hermetische gedichten, geen moeilijke woordvolgordes, geen geëtaleerde kennis, maar op het eerste gezicht alledaagse en herkenbare woorden, begrijpelijke poëzie. En daarin zit het bijzondere, want die begrijpelijke poëzie is allesbehalve eenvoudig en hier en daar zelfs venijnig. Want als u de lezers eenmaal binnen heeft gelokt, dan slaat u toe. Dan krijgen ze van u een verrassende draai om de oren. Tenminste, zo deed u dat vroeger. Misschien bent u wat milder geworden, want in deze laatste bundel blijft u vriendelijker dan ik van u gewend ben. Misschien, al denk ik het niet, komt dat door uw nieuwe Nederlandse stem. Gerard Rasch is er niet meer – dat zal u zeker verdriet doen. Hij was immers jarenlang uw Nederlandse stem. U heeft een nieuwe vertaler: Karol Lesman. Ik vind het moeilijk om te zeggen of deze stem u past. Voorlopig geef ik hem het voordeel van de twijfel.

U bent in staat om in eenvoud een kosmisch landschap te ontvouwen. Zoals in het gedicht ‘Onachtzaamheid’. ‘Ik heb gisteren niet goed mijn best gedaan in de kosmos. / Een heel etmaal geleefd zonder naar iets te vragen, / zonder me ergens over te verbazen.’  En ik dan, vraag ik me dan af. Wat heb ik gisteren gedaan? Zo werken je gedichten op ons in. Je geeft ons een boodschap zonder moralistisch te zijn. Het gedicht gaat verder:

 

Ik heb alledaags werk verricht,

alsof dat alles was wat ik moest doen.

 

Inademen, uitademen, stap voor stap, verplichtingen,

maar zonder een gedachte die verder reikte

dan de deur uit en weer terug naar huis.

 

De wereld kon doorgaan voor een krankzinnige wereld,

terwijl ik hem enkel aanwendde voor dagelijks gebruik.

 

Niks geen – hoe – en waarom –

en waar komt die vandaan –

en wat moet hij met zo veel beweeglijke details.

 

Ik was als een niet diep genoeg in de muur geslagen spijker

Of

(hier de vergelijking waar het mij aan ontbrak).

Dat laatste zinnetje, tussen haakjes, is een mooie vondst. Het gedicht gaat nog verder met voorbeelden van dingen die zogenaamd zonder uw aandacht zijn gebeurd. Het bijzondere is natuurlijk, en daar schuilt weer uw bescheidenheid, u hebt het allemaal wél gezien. Als u het niet gezien had, had u het immers ook niet kunnen noteren. Het is aan de goede verstaander om zich te realiseren: ‘tsja, inderdaad, dat heb ik vandaag allemaal niet gezien!’. Gelukkig geeft u ons op het laatst een handvat, en zegt ons wat de kosmos van ons verlangt: enige aandacht, een paar zinnen Pascal / en verwonderde deelname aan dit spel / met onbekende regels.

Het is niet altijd duidelijk welke boodschap u geeft. U stelt ons bijvoorbeeld soms voor een dilemma waar geen antwoord op bestaat. In het gedicht Monoloog van een in de geschiedenis verstrikte hond (zo’n titel vergeet je niet snel) kijkt een hond terug op zijn leven: ik had een keurig huis, had mensen in dienst. / Ik werd gevoerd, gewassen, geborsteld, / meegenomen op mooie wandelingen. / Echter respectvol, op gepaste afstand. / Iedereen wist heel goed wiens hond ik was. Het gedicht begon met: Je hebt honden en honden. Ik was een uitverkoren hond. Dat woord uitverkoren moet ons natuurlijk al waarschuwen, maar dat deed het bij mij niet. Pas bij tweede lezing zag ik de aankondiging ervan. Zoals bijvoorbeeld in een thriller, waarin bijvoorbeeld een ‘zogenaamd nonchalant’ shot langs een messenrek bij het aanrecht wordt getoond. Pas wanneer een van messen daadwerkelijk gebruikt wordt, snap je de betekenis van dat eerder moment. Zo doet u dat ook. U schrijft schijnbaar nonchalante woorden - maar bij u bestaat het toeval niet.

De hond gaat aan het eind van het gedicht dood, wordt doogeschoten. Iemand rukte mijn met zilver beslagen halsband af. / Iemand schopte mijn al dagen lege bakje weg. / En toen kwam een laatste iemand, voordat hij wegreed, / uit de cabine hangen / en schoot twee keer op mij. // Hij wist mij niet eens goed te raken, / want ik stierf nog lang en pijnlijk / in het gezoem van brutale vliegen. / Ik, de hond van mijn baasje.

Erg hoor! Of is het anders, minder erg, als je weet dat het gaat om de hond van een hoge SS-er. Van Hitler misschien wel. Is de hond van de SS-er schuldig aan de misdaden die zijn baasje heeft gepleegd. Nee, natuurlijk niet….of toch?

Ten slotte wil ik u feliciteren. Met uw bundel. Het is een mooie aanvulling op het verzameld werk dat ik al van u heb. Het is een fraai uitgegeven werk, wat dat betreft maakt uw nieuwe uitgeverij,Uitgeverij De Geus, er meer werk van dan Meulenhoff dat deed. Het lettertype is misschien wat groot, waardoor ik een beetje het gevoel krijg dat de uitgever wil verhullen dat er niet zoveel gedichten in staan, dat het slechts om 17 gedichten gaat. Inderdaad misschien iets minder dan poëziekopers doorgaans verwachten, maar ik vond dat geen probleem – al zie ik nu al uit naar meer! Ik wens u daarvoor alle inspiratie toe.

 

Met vriendelijke groet

 

Hein Walter