Simon Vinkenoog - Ja! (2010)

Simon Vinkenoog - Ja! (2010)

Simon Vinkenoog
Ja!
Bloemlezing met de laatste 19 gedichten
Uitgeverij Nigh & van Ditmar

Hij is dood, maar iedereen kent hem, hij is de dichter, de Hollandse Pablo Neruda, bevlogen, altijd rokend, experimenteel, geëngageerd, het gezicht van de poëzie, Vijftiger,  eventjes Dichter des Vaderlands, levensgenieter, altijd high, tot op het laatste van zijn leven bij elk poëziefestival op het podium en altijd klaar voor een waterval van woorden, blijvend boos op de gevestigde orde, eeuwige revolutionair, romanticus,  liefhebber van liefde en gezien het aantal keer dat hij een nieuwe vrouw heeft gevonden, ook kampioen in het verliezen ervan.  Vraag een willekeurige voorbijganger om de naam van een dichter en de kans is groot dat Simon Vinkenoog wordt genoemd. Maar, en dat realiseerde ik me bij het lezen van de bloemlezing, ik verwacht niet dat diezelfde voorbijganger zich ook maar een regel van hem zal kunnen herinneren. Ik herkende in ieder geval geen enkel gedicht. Maar dat is ook wel te verklaren, al is dat misschien een beetje treurig om dat van een dichter te zeggen, het gaat bij het werk van Simon Vinkenoog ook meer om de energie en de stroom van zijn woorden dan de betekenis ervan. Ik ervoer het onlangs, toen ik luisterde naar een voordracht van een jonge bevlogen slamdichter, en ik merkte het om me heen aan het joelen en applaudisseren van het publiek in de zaal, dat de inhoud, de woordkeus en zelfs het metrum bij een voordracht minder belangrijk zijn dan de energie waarmee het gedicht wordt gescandeerd, geroepen, half gezongen.  Volgens mij begreep geen hond waar het gedicht van deze jongeling over ging, maar het bekte lekker en men vond het geweldig. Simon Vinkenoog was slamdichter avant la lettre, podiumdichter vanaf het eerste uur. In het nawoord, geschreven door de samensteller van de bloemlezing, Joep Bremmers, is te lezen dat hij in 1960 voor een plaatopname in de reeks ‘Stemmen van schrijvers’ als enige dichter een gedicht schreef dat speciaal bedoeld was om te worden voorgedragen.  Hiermee was de performing poet geboren.

STEM UIT DE GROEF
                Voor eigen stem geschreven

Mijn stem mag met mij
een heel leven mee
(voor velerlei doeleinden te gebruiken)

Ik mocht met èh beginnen
en deze stem draagt mij verder,
maar hoe zal ik eindigen?
Zal ik krachtig stervende verzen stamelen,
vloeken –
of seniele kreten slaken?

Het gedicht gaat nog verder, verhaalt van zijn leven, van het wakker worden tussen het Rood en Zwart, het rood van Moskou en het zwart van Mussert, van het opgroeien tussen de boeken van Karl May en Kees de jongen, tussen jongens die aan volksfronten en oostfronten sterven – maar Simon Vinkenoog blijft leven. En hoe! zegt hij zelf.
Het leuke van deze bloemlezing  is dat bij elk gedicht, bij de aantekeningen achterin de bundel, staat genoteerd wanneer het gedicht voor het eerst gepubliceerd is en bij sommige gedichten de aanleiding. Bijvoorbeeld wat de aanleiding was van het gedicht ‘TV-GEDICHT VOOR ACHTERBERG (14 oktober 1963): Vinkenoog schreef dit gedicht na het zien van de tv-documentaire Literaire Ontmoetingen van Ed Hoornik en Hans Keller waarin gezinspeeld werd op het feit dat Achterberg een moord had gepleegd, iets waarvan slechts vrienden en bekenden van de inmiddels overleden schrijver op de hoogte waren. Vinkenoog schrijft het gedicht uit verontwaardiging over het verzwijgen van dit opmerkelijke biografische feit. Een half uur na afloop van de uitzending scootert Vinkenoog naar Sheherazade, waar hij het podium beklimt en het gedicht voor een publiek van honderd verbouwereerde toehoorders voordraagt. Dat waren de hoogtijdagen van de poëzie! kom daar nu nog maar eens om, een publiek geschokt door de woorden van de ene dichter over een andere. Het gedicht begint zo:

Gerrit Achterberg heeft een vrouw gedood.
Ik heb het jarenlang geweten.
Ik heb het geheim aan de straatstenen gesleten:
de dichter Achterberg heeft een vrouw gedood.

Ik heb jaren willen weten het hoe, waarom en hoe –
ik héb jarenlang geweten het hoe het waarom en het hoe,
ik wist het. Niet van ooggetuigen, niet van zijn lezers, want
het staat FOUT
in zijn gedichten. Ik wist het: ‘de dunne gil van een vrouw
die niet sterven wil’ –
en men zegt het mij voor in het Grote Oor.

….

Of het een mooi gedicht is? Ik geloof het niet. Ik hoor in de gedrukte letters de boosheid waarmee Vinkenoog het voorgedragen zou kunnen hebben, maar ik geloof niet dat ik me in 2010 in die verontwaardiging kan verplaatsen. En daarnaast: ik denk dat hij op het breukvlak  stond van twee poëziewerelden. Hij schrijft met zijn ene hand als een Vijftiger als hij zegt zwarte kaarsen stak ik voor mijn ziende geliefde aan,/  ik deelde in liefde mee, en met de andere hand wil hij verstaanbaar schrijven, in een keer begrepen. Werd hij die avond eigenlijk wel begrepen? Misschien was het publiek bij Shererazade op die avond in 1963 niet verbouwereerd om de inhoud van zijn betoog, maar omdat ze niet begrepen wat hij ze vertelde! Ze voelden door zijn energieke manier van voordragen ongetwijfeld het belang van zijn woorden, van de dichter als voorman, maar zou het kunnen dat ze hem niet konden volgen? Hoe dan ook, het is geschiedenis! De bloemlezing is een blik in de tijd en daarom alleen al waardevol. Zoals het gedicht Nederland, geschreven in 1966 en later in 2006 nogmaals met veel vuur door Vinkenoog voorgedragen: Nederland! Het huilen staat me soms nader dan het lachen! Nederland, waarom laat je je regeren door angstige kleuters? Geweldige zinnen zijn het niet, maar doordat er zoveel van dit soort zinnen met boodschappen achter elkaar staan (Draait dan werkelijk alles om het geld? Kun je nog luisteren? Nederland?) krijgt het gedicht de sfeer van een mantra (Nederland, waarom maak je geen eind aan de woningnood?  Nederland, wanneer steek je de brand in je papieren en de handen uit je mouwen?), een aanklacht. Het is theater, de woorden zijn niet moeilijk, de betekenis ervan komt meteen binnen, je kunt schelden, makkelijk scoren, maar het werkt.

Hij schreef ook over andere dingen, zoals over het bedrijven van de liefde, woorden die op een poëtische wijze seksuele algemeenheden verhullen (Onze blote huid waaronder / de geaderde geheimen / en die raadselachtige rode bloedsomloop / dat levend festijn / waar je altijd bij wil zijn),  of recht voor z’n raap ( O schoot zo groot / de diepte waarin ik stoot / is meer dan levensgroot), maar  de bloemlezing is vooral een herinnering aan een verdwenen tijd. We zullen Vinkenoog koesteren, hem ons herinneren als de man die nooit te beroerd was om zijn verontwaardiging in dienst te stellen van een ideaal. Of zoals hij het in TESTAMENT zegt:

Alles laat ik niemand na,
de rest mag iedereen hebben.
Mijn liefde is voor de
voor en naast mij bestaanden.

Mijn haat gaat over het graf heen
naar de wapens van angst en onderdrukking,
mijn ziel blijft solidair
met alle groenen, roden en witten.