Ransey Nasr - Onhandig bloesemend (2010)

Ransey Nasr - Onhandig bloesemend (2010)

Ramsey Nasr
Onhandig bloesemend
Uitgeverij: De Bezige Bij

Toen Mark, mijn zoon, een jaar of 5 was, liet ik hem vaak luisterennaar de Peer Gyntsuite van Grieg. Om de sprookjesachtige muziek voor hem zichtbaar te maken, vertelde ik verhalen bij die muziek: op bepaalde langzame stukken stapte ik bijvoorbeeld als een tovenaar door de kamer en stapte Mark als een kleine grote tovenaar achter me aan. Bij die ene paukenslag – we wisten precies wanneer die kwam – stonden we plotseling stil en lieten de boze heks verschijnen. Verderop in de muziek kwamen er ridders op paarden en statige koningen en Mark vond het prachtig.

Ik moest hieraan denken bij het lezen van de tweede dichtbundel ‘Onhandig bloesemend’ vanRamsey Nasr. In het tweede deel van de bundel, die bestaat uit drie delen, laat hij zich inspireren door de woorden van Heinrich Heine, op muziek gezet door Robert Schumann en gezongen door Fritz Wunderlich (die als Frederik Wonderlik een hoofdrol speelt in de cyclus – een betere naam voor een minnaar is nauwelijks denkbaar!). Dat levert 16 breedsprakige gedichten op, waarbij Nasr er vrijelijk op los schrijft, ongebonden associërend op de Duitse woorden die hij hoort. Hij begint ieder gedicht steeds met een (soms zeer) vrije vertaling, zoals ‘Aus meinen Tränen spriessen’, dat bij Nasr ‘onhandig als bloesems telkens uit ogen spriesen’ wordt, of ‘Wenn ich in deine Augen seh’ ‘nu ik je dan volkomen zie’. De cyclus van Nasr handelt over de liefde, en met name over de spanning tussen de oude romantische, zeg maar Duitse benadering van de liefde en de kille, Nederlandse, zakelijke wijze waarop wij tegenwoordig over de liefde spreken.

En Ramsey Nasr zelf zit ertussen – zoals hij wel vaker ergens tussen zit (half Palestijn, half Nederlander, half acteur, half dichter).

 

Im wunderschönen Monat Mai

 

Im wunderschönen Monat Mai

Als alle Knospen sprangen

Da ist meinem Herzen

Die Liebe aufgegangen

 

m wunderschönen Monat Mai

Als alle Vögel sangen

Da hab’ich ihr gestanden

Mein Sehnen und Verlangen

 

Zo begint Heinrich Heine zijn cyclus Dichterliebe.

Nasr schrijft:

 

wonderbaarlijke maand

 

dat was in de wonderbaarlijke maand

van bloesemingen en overvloed

toen mijn borstkas opstoof als papaver

ribben in sierpennen uitwaaierden

mei mijn magere taal openbrak

vergelijkingen vrat als vuur water

 

ik schaamde mij diep naar poldergewoonte

in loden jas tussen druppel en wind

ongevoelig bij takken struikgewas doornen

had ik licht opgevat

                                ik wreef haar in

en doorzichtig vernederend fonkelniezen

kwam over mij o wonder daar ging ik

men zou van minder uit schamen gaan

maar dit was mijn ziekte baarlijke liefde

 

Liefde kan de taal openbreken, maakt mensen lyrisch. Of is verliefdheid een ziekte? Een aan hooikoorts verwante aandoening die mensen licht maakt en laat fonkelniezen? Nee, die verliefdheid wordt niet gewaardeerd in ons Calvinistisch Nederland.

 

Nasr schrijft makkelijk en zijn woorden nodigen uit tot voordracht. En als je eenmaal weet dat hij met één been in de toneelwereld staat, lees je zijn woorden ook bijna als toneelteksten.

Het derde deel van de bundel bijvoorbeeld is een monoloogachtig gedicht vol wendingen dat je in je hoofd voorgedragen hoort door iemand als Henk van Ulsen. Aan het woord is Dimitri Sjostakovitsj, de Russische componist (1906 – 1975) die, hakkelend enbijna verward, terugkijkt op zijn leven. Sjostakovitsj bleef in het Rusland van Stalin en conformeerde zich dus in feite aan het regime – ter vergelijking: Stravinsky vluchtte naar Amerika – terwijl hij tegelijkertijd krachtig muzikaal verzet bood. Dat maakt hem tot een tussenfiguur, zoals Nasr dat zelf ook is. Nasr leeft zich makkelijk in en dat maakt dit bladzijdenlange gedicht meeslepend.

Het heet Wintersonate, en werd geschreven op basis van Sjostakovitsj’altvioolsonate op. 147. Het adagio, het derde deel, begint zo:

 

ik ben het volkomen eens met de uitspraak van de pravda

ik ben een worm

 

Hiermee zet Nasr de toon: hij maakt Sjostakovitsj een verslagen man die zichzelf een lafaard vindt, niet de moeite waard. Hij vertelt over anderen, over kennissen, componisten. Hij spreekt van de hak op de tak, maar het is nergens vervelend. En was de taal van Nasr eerst bloeiend en opengebroken, Sjostakovitsj maakt zijn woorden kaal, nee, tot op het bot kwetsbaar. Erg goed.

 

rajch was een energieke vrouw een soort onderofficiersweduwe

rajch kon uitstekend afdingen

marcheerde op muziek van chopin

rajch zong de romance van glinka onder vloeiende bewegingen van haar

            weelderige schouders en onder veelbetekende blikken

 

ze staken rajch neer

17 messteken uitgestoken ogen

rajch heeft een hele tijd geschreeuwd

niemand van de buren kwam te hulp er kon van alles aan de hand zijn

 

‘en in dit huis werd zijn vrouw op beestachtige wijze vermoord’

 

de naam m. werd niet meer genoemd

en toen verdween de man

 

vergeten

 

                        soms wilde ik dat ik als een lelie

op de brede tafel van stalin kon staan

me optrekkend vanuit de vaas

hem monsterend op afstand

mijn kleine tuinman in de stoel

mijn slechtgeslapen bloemloze plant

hem te beschouwen

en compleet te negeren

 

we hebben zjilajev vergeten

 

of nikolaj vygodski talentvol organist

 

psjibysjevski directeur van het moskous conservatorium die is ook vergeten

hij was de zoon van de bekende schrijver psjibysjevski

 

en dima gatsjev is vergeten

het ongeluk wilde dat gatsjev frans kende

gatsjev kreeg vijf jaar

hij was een sterke man

een paar dagen voor het einde kreeg gatsjev te horen dat hij tien jaar erbij kreeg

dat brak hem