Peter van Lier - Zes wenken voor muggen aan de deur (2007)

Peter van Lier - Zes wenken voor muggen aan de deur (2007)

Peter van Lier
Zes wenken voor muggen aan de deur
Uitgeverij G.A. van Oorschot

Ik vind het lastig om uit te leggen wat ik begreep van de nieuwe gedichten Peter van Lier, deze wenken voor muggen, toen ik ze voor het eerst las. Ik kan het namelijk niet meer oproepen. Ik las eroverheen zonder ze te lezen; misschien was het te vergelijken met een boek lezen met een bril die voor de verte is bedoeld, ik zag nauwelijks betekenis. Als ik de bundel niet had hoeven recenseren, dan zou ik er waarschijnlijk geen tweede poging aan hebben gewaagd. Gelukkig maar dat ik die opdracht wel had, want bij de tweede lezing lukte het me wel om geconcentreerd op deze poëzie scherp te stellen, en toen zag ik de schoonheid, de lol en de kwaliteit ervan. En toen begreep ik pas waarom deze bundel al een tweede druk had gekregen.

In de ietwat vreemde titel, ‘Zes wenken voor muggen aan de deur’, zit min of meer de opzet van de bundel verborgen. De bundel – verdeeld in zes afdelingen – is namelijk een verzameling menselijke gedachten en handelingen in relatie tot dieren. Wie aan de deur muggen advies wil geven, doet in feite hetzelfde: met ze omgaan alsof het mensen zijn.

Bij eerste lezing had ik dat niet in de gaten. Ik moest vooral wennen aan de taal van Peter van Lier en de manier waarop de gedichten zijn vormgegeven: lange volzinnen met veel bijzinnen, eigenzinnig genoteerd met hier en daar een woord apart, en een onregelmatig gebruik van witregels. En als je dan niet geconcentreerd leest, dan ben je halverwege het gedicht de regels vergeten waarmee het begon. Concentratie is dus een vereiste, maar dat is als het om poëzie gaat natuurlijk een open ….

‘Zes wenken voor muggen aan de deur’ is verdeeld in zes afdelingen, waarvan ik de tweede afdeling ‘Psalmen’ er als eerste wil uitlichten. Hij maakt hier namelijk gebruik van de techniek van collage, die ik zelf ook graag gebruik. En het zijn psalmen! Wie mij de laatste jaren een beetje heeft gevolgd, die weet ook dat ik me graag door psalmen laat inspireren. Peter van Lier moet in mijn ogen eenzelfde soort interesse hebben, waarbij ik me hem bladerend door de psalmen voorstel, zoekend naar zinnen die met dieren te maken hebben. Hij gebruikte de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap en vond daarin zinnen als ‘het everzwijn uit het woud hem afvreet’ en ‘Want Gij hebt mijn hoorn verhoogd als van een woudos.’ Elke vondst leidde tot een humoristisch getint gedicht waarbij de oorspronkelijke zin in een andere context wordt geplaatst. De verhoogde hoorn gaat bijvoorbeeld over een ijscoman:

 

psalm 92

 

Is het mogelijk dat door toedoen van slechts één ijscoman,

die door opeenvolgende slechte zomers en sterk dalende

verkoopcijfers

 

uit wanhoop zozeer verlangde naar betere

tijden, dat hij

 

snel, drie seizoenen later al, rijk werd, dat door dagelijks

theatraal maar oprecht richten van zijn ogen op het gigantische

 

nepijs boven op zijn kar,

al verkondigend:

 

‘Want Gij hebt mijn hoorn verhoogd als van een woudos,’

drommen kinderen de wildste dromen lijden omtrent een groot,

vaag hoefdier?

                                                           vragen ouders zich, verenigd, bezorgd af.

 

Ik geef wel eens poëzielessen op basisscholen. Een van de opdrachten die ik dan kan geven is een dialoog tussen dieren of dingen, bijvoorbeeld tussen een wolk en een watje, of een draaimolen en een lucifer. De bedoeling is dat elk kind een gesprek schrijft, waarbij ze moeten bedenken dat alles een eigen taal heeft: een watje spreekt andere woorden, misschien zacht en poezelig, dan bijvoorbeeld een draaimolen die van snelheid houdt. Later kan bij de dialoog nog een stripverhaaltje worden getekend of als een toneelstukje worden opgevoerd.

Ik moest aan deze opdracht denken bij het lezen van het derde deel van deze bundel, het deel waaraan de titel is gegeven: zes wenken voor muggen aan de deur. Zes gedichten als raadgevingen aan muggen. Wie de raad geeft, blijft in het midden, maar duidelijk wordt dat muggen een ander soort Nederlands verstaan dan we gewend zijn. Als ik de eerste wenk noteer in een doorlopende zin, dan staat er dit:

Wantrouwt in de gang al uw zinnen op het moment dat het gedroomde oppervlak zomaar aanwezig is als u overrompeld door al dat wit onwennig vertrouwt op het eerste vlaagje wind, binnen, dat zo behaaglijk uw vleugels streelt bij een vleugje dat – onvermoed u noodt tot volgen wat dan het liefst krachttermen spreekt, a.u.b.

De tweede wenk ziet er dan zo uit:

Vliegt in de huiskamer niet rond het lichaam dat – met poten, staart, met al wat maar houvast kan bieden aan dat onherbergzame krampachtig poogt niet te rillen, niet de aandacht trekken van wat het vol gedachten recht onder zich aanwezig weet als het – gruwelijk groot glooiingsdier dat zo graag ‘eten’ bromt bij onhoudbare kreten van boven, beloofd?

Het is niet mijn bedoeling om zijn gedichten op deze manier te vermoorden, door ze uit hun vormgegeven kooi van het gedicht te bevrijden, maar ik wil laten zien hoe ik ze probeer te lezen. Ik lees ze namelijk eerst als proza helemaal door, alsof het inderdaad een lange zin is. Dat valt me, moet ik toegeven, bij deze twee zinnen niet mee!

De slotwoorden, a.u.b. en beloofd?, en in de andere wenken oké? en goed? hebben als taak om de lezer aan het eind er weer aan te herinneren dat het om een soort afgeluisterd gesprek gaat. En het zijn ook steeds herkenbare spreektaalwoorden, die je snapt! En omdat je ze snapt, geven ze je het gevoel dat je de voorgaande woorden ook moet kunnen snappen, en daardoor begin je gesteund weer van voren af aan. Het begin van iedere wenk, de eerste zin die als titel dient, is ook gekend. Ze refereren allemaal aan delen van het huis: wantrouwt in de gang, vliegt in de huiskamer, wacht in de zitkamer, vreest op het toilet, mijdt in het trappenhuis, en waakt in de slaapkamer. Tussen begin en eind is het lastig!

 

Het meest grappige stukje tekst staat in Paardenvreugde (ІІ). Het onverwachte is grappig en zeker ook het beeldende: ik zie de boer en de boerin gestrengeld in bed liggen en hoor hun uitroep! Maar daarbij is de vergelijking tussen mensen en paarden mooi en vooral de sfeer die het gedicht oproept, een sfeer van zwijgzaamheid, donkerte en zweet: vrijen met het licht uit.

 

Liggen,

 

ruggelings, groepsgewijs,

 

‘waartoe het paard maar zelden overgaat!’,

 

beleven boeren als hoogtepunten van het agrarisch bestaan,

zelfs in die mate,

dat –

 

in menig plattelandshuwelijk

wordt

besloten dat ‘de hoefjes (‘ju-ju’)

maar weer eens de lucht in moeten’,

 

vooral na die lange periode van donkerte: vol zwijgzaamheid en

 

                                                           arbeid van zwetende paarden.