Kreek Daey Ouwens - De achterkant

Kreek Daey Ouwens - De achterkant

Kreek Daey Ouwens
De achterkant
Uitgeverij Querido

Ik las het soms als een dagboek, dan weer als een kinderboek, maar  dan heel volwassen geschreven, het ene moment vond ik het overduidelijk poëzie, ook al is de vorm dat helemaal niet, het volgende moment las ik het als proza, een theaterstuk, een novelle (111 pagina’s)… het doet er ook eigenlijk niet toe, als het maar mooi is, en dat is het. Ik vond vooral het eerste deel heel mooi geschreven, beeldend, helder maar tegelijk ongrijpbaar en raadselachtig. Het eerste deel heet Ontglippen. Het is het dagelijks leven van een meisje dat met haar zusjes het bestaan deelt met hun moeder en hun grootouders. Langzaam krijg je een idee van tijd en een beeld van de plek waar ze wonen. Er is een berg, er is natuur, er is een mijn in de buurt –  daar zijn de mannen – en het speelt zich voor de oorlog af. Maar het is vooral het perspectief van de meisjes dat het geheel bijzonder maakt, maar dan wel een jong meisje met ene heel volwassen kijk op de wereld. Zoals het toekomstbeeld geschreven op de tweede pagina, twee zinnen, verder wit: Wonen in een mooi huis. Met vier kinderen. / En een man. Een man zonder wrok. De eerste beelden passen heel goed bij de droom van een meisje, maar die laatste toevoeging is vervreemdend en verrassend. Of een paar bladzijden verder, weer een bijna witte pagina: Kindertijd. Een muis, geplet onder de wielen van een trein. / Gegroet, grote wereld. De bundel staat vol met mooie, rustige zinnen, zoals deze: … de tuin is een brede glimlach van bloemen, …. of beklemmende: Grootvader en grootmoeder spreken niet met elkaar. Alleen het / weesgegroet zeggen ze samen, en ze eten heel snel. Het zijn eigenlijk kleine scènes, miniaturen, fragmenten uit een dag:

‘Als je twaalf bent, krijg je bloed, ‘zegt mijn oudste zusje. ‘Dan
moet je aan mamma een doekje vragen.’
‘Waarom?’ vraag ik.
‘Anders bloed je dood,’zegt mijn tweede zusje. Onze moeder
staat met haar rug naar ons toegekeerd. Ze dweilt de vloer. Ze
trekt de steel van de schrobber naar zich toe. Ze doet een paar
passen achteruit. Ze wist haar eigen voetafdrukken. Dan loopt ze
naar buiten, trekt haar schoenen uit en wast haar blote voeten
onder de kraan – in de zon wordt ze licht, ze lijkt iets te zijn
vergeten, iets dat haar boos maakt is ze vergeten, ze is tevreden
over wat ze zojuist heeft verricht, tevreden met haar huis, met
alles daaromheen…

Aan het eind van het eerste deel gaat de grootmoeder dood.  In het gras, dat is geplet door de mannen die kist droegen, wordt een lange tafel gedekt. Het tafelkleed van elke dag is te klein. Onze moeder heeft twee lakens aan elkaar geknoopt. Daarna wordt er gefeest. De dood van de grootmoeder is verwacht, zo gaat dat nu eenmaal, oude mensen sterven en kinderen gaan daar op hun eigen manier mee om. We wilden haar schort verbranden, zo stonk dat . Zulke gedachten maken het leven licht. Het eerste deel eindigt met een epiloog: We liggen in het groene gras. We praten niet. We kijken. Boven onze hoofden, onder de donkere bladeren aan de bomen, zweeft een vrouw in een lichte jurk. Tenminste, dat denken we, maar misschien is het een engel.

Het tweede deel is zwaarder. De taal is ontdaan van de naïeve kijk van de kinderen. Er is een geliefde dood. Hoe die geliefde is gestorven, dat is niet heel duidelijk. Met een ziektebed, maar er is ook sprake van een doodwens. In flashbacks worden er fragmenten van het voorbije leven getoond, afgewisseld met gedachten . Het eindigt somber. De laatste zin van het boek is: Het verdriet komt in de nacht.
Het boek moet je eigenlijk in een keer doorlezen, dan hou je de sfeer vast en blijf je in het verhaal. Ik ben twee keer begonnen en tot net over de helft gekomen. Dan dacht ik een paar dagen later verder te gaan lezen, maar dan kwam ik niet meer in het verhaal en moest ik weer vooraan beginnen. Pas de derde keer kon ik het helemaal uitlezen. Niet als poëzie, maar als proza, gewoon doorlezen! Maar toen heb ik wel over een heleboel heen gelezen. Met name het tweede deel, waarin de lichtheid van de kindertaal en de kinderblik is verdwenen, vond ik zwaar om te lezen. Ik moet de lichtheid er in gaan ontdekken, door het opnieuw te gaan lezen. Ik heb nu wel deze recensie geschreven, maar ik ben nog lang niet klaar met dit boek!

Hoe moet ik het gevoel beschrijven dat ik had toen ik enkele
dagen na je dood langs het water liep. Ik voelde me alleen. Ik
liep maar wat. Langs de kant van de weg stond een lage struik.
Ik brak een takje af, en bracht het, zonder erbij te denken,
naar mijn mond. De geur was zo intens, dat ik niet wist wat mij
overkwam.
Het water was kalm. De lucht koel. De wereld was volkomen
onschuldig. Ik proefde de onschuld in mijn mond, in de stilte
om me heen, nee, nee, er bestaat geen schuld, geen pijnlijke
sterfelijkheid, het kan niet anders of jij blijft voor altijd bestaan.

Zo’n twee keer per jaar vertel je me dat je een einde aan je leven
had willen maken, omdat je moest gaan trouwen.