Co Woudsma - 'Geluksinstructies' (2005)

Co Woudsma - 'Geluksinstructies' (2005)

Co Woudsma 
Geluksinstructies
Uitgeverij De Bezige Bij

 

Beste Co,

Gefeliciteerd met je tweede bundel. Felicitaties voor de kwaliteit van de gedichten, maar ook voor de overwinningen die je ermee op jezelf hebt behaald. Iedereen weet dat als je als dichter een droomdebuut maakt, de kans groot is dat de tweede bundel slechte kritieken krijgt. Ik kan je geruststellen, de tweede kan de vergelijking met de eerste makkelijk aan.

Voordat ik verder schrijf, wil ik je eerst even uitleggen wat je hier leest: dit is een recensie! Een recensie in de vorm van een brief. Ik ken je namelijk te goed om afstandelijk over je werk te schrijven, en tegelijk wil ik er wel graag iets over zeggen, juist omdat ik je ken.

Hoe het komt dat ik je goed ken? Omdat ik je volg, zoals jij mij volgt. Je bent mijn leraar geweest. Van jou heb ik geleerd om dicht bij het onderwerp te blijven en groots gedetailleerd te omschrijven wat je ziet en ervaart. Of om het anders te zeggen: van jou heb ik geleerd om klein als een miniaturist te schrijven en tegelijk zo groot mogelijk uit te waaieren en zo een eigen universum te scheppen. Je geeft eigenlijk al meteen bij het eerste gedicht in deze bundel een goed voorbeeld van wat ik bedoel:

 

Midas

 

Nu ik, vriendjes, jullie heb geproefd,

voorgoed geproefd, vind ik de wereld

groot en boos. Het bos is stil:

geen biggenlied, geen fluit en geen viool,

de vallen uitgeklapt, het stenen huisje leeg.

 

Nog een keer klonk gezang:

drie jongelingen in de ketel

gekneveld. De redding die niet kwam.

Toen zweeg het vlees.

 

Iets geurends, iets verbrands.

 

Waar is mijn wolfje heen gegaan, vol haat?

De botten liggen op de grond.

De grutjes rusten in de kast.

 

Wie z’n klassiekers niet kent, weet waarschijnlijk niet goed waar je het over hebt, maar wie de Donald Duck regelmatig inkijkt, weet dat je de grote boze wolf, Midas, zijn zoon Wolfje en diens drie vriendjes, de drie biggetjes, tot poëzie hebt verheven (jij zult nu waarschijnlijk met geheven wijsvinger uitroepen dat ze dat al waren). Midas, die elke aflevering opnieuw vergeefs probeert de drie biggetjes in de pan te krijgen. Jij laat het hem lukken. Tegelijk toon je aan dat met geluk ook ongeluk komt, want als het ideaal verwezenlijkt is, blijft er niets achter dan leegte. Moraal: idealen zijn er om nagestreefd te worden, niet om te worden bereikt. Vandaar waarschijnlijk dat al die mooie, lieve, jonge stoere jongens en meisjes met puistjes en judopakken in het derde deel van de bundel slechts in stilte worden aanbeden. Je bent een ware romanticus.

Ik heb pas onlangs begrepen, bij de presentatie van de bundel, dat het gedicht niet alleen een portret is van Midas, maar ook een zelfportret, het eerste gedicht geschreven ná je eerste bundel, in 1997, toen je na veel en lang gezwoeg bereikt had wat alle dichters willen bereiken, publicatie, maar vrijwel meteen overvallen werd door angst het debuut niet te kunnen evenaren. Na acht jaar ben je er in geslaagd om mooie nieuwe biggetjes te maken.

Ongelooflijk hoe snel de tijd gaat. Acht jaar. En als ik me niet vergis, heb je over het schrijven van die eerste bundel ook acht jaar gedaan. Dus 16 jaar geleden werd je eigenlijk dichter. Dat getal heeft ongetwijfeld te maken met de opbouw van de bundel, die is opgebouwd uit 4 afdelingen: de eerste en vierde bestaan uit 4 gedichten en de middelste twee uit 16 gedichten. Een soort cijfermatig zelfportret, gemaakt met gevoel voor symmetrie. Wist je trouwens dat symmetrie een van de kenmerken is van de door jou bewonderde Renaissance? Waarschijnlijk weet je dat. Want je weet nogal veel. Wat dat betreft ben je werkelijk een dichter (en ik schrijf dat zonder ironie); niet zoals ik, ik doe maar alsof, net zoals veel dichters tegenwoordig. Ik kwak, als een schrijvende Karel Appel, alles intuïtief op het papier, maar jij doet de dingen overwogen, denkt na over elk woord en elke getelde lettergreep. Wat dat betreft ben je een vreemde eend in de tijd, waarin het begrip vrije vers zo makkelijk mogelijk wordt gehanteerd. 

Maar nu over de inhoud. Je bent persoonlijker geworden in je gedichten, je laat meer zien wie je bent dan in de eerste bundel, Viewmaster. Zeker als je bedenkt dat alles wat je schrijft zijn oorsprong vindt in het werkelijk gebeurde. Als je een kat beschrijft die opgaat in het struikgewas, dan heb je die kat ook echt gezien, als je beschrijft hoe je een levende oester eet, dan heb je die oester ook echt gegeten en als je beschrijft hoe je tijdens een pauze gekke bekken trekt in de spiegel van het toilet, dan heb je die gekke bekken ook echt getrokken. Zijn je gedichten dan alleen interessant voor wie je kennen? Nee, natuurlijk niet, want je bent een meester in het kijken, zoals je met je eerste bundel al bewees, en daarbij weet je de werkelijkheid zó naar je hand te zetten dat alles past, en schuw je bovendien het surreële transformeren niet. Zoals in deze zinnen: tussen groene struiken groeit de kat, een meerjarige bodembedekker en koeien hebben trek in weiland; puistjes laat je schitteren als rose sterren aan de blanke hemel en een klamboe is een bruidssluier waaronder je je veilig verorberd voelt. 

Geluksinstructies, heb je de bundel genoemd. Het titelgedicht is een recept voor geluk, een leesgerecht met een stukje Vermeer, judomeisjes, rozengeur en Josquin, waarin onder andere deze zin: bereid Saroma met bananensmaak. Hoewel ik veel van je aanneem, kan ik daarin toch moeilijk met je meevoelen. Bij de presentatie van de bundel kreeg iedereen een bakje Saroma, dat stijfgeklopte synthetische toetje dat zo uit de jaren ’80 leek weggelopen. Toen heb ik het weer sinds lang gegeten, en vriendje, meteen voorgoed geproefd. Dat toetje zal ik niet meer aanraken, maar je gedichten zal ik blijven eten.

 

Met een hartelijke groet,

Hein