Albertina Soepboer - 'De trektocht' (2010)

Albertina Soepboer - 'De trektocht' (2010)

De trektocht
Albertina Soepboer
Uitgeverij Contact

Stel: een fotograaf krijgt de kans om van een werkbeurs een half jaar in Rome te wonen en daarvan een fotografisch reisverslag te maken. Na dat half jaar heeft hij een grote tentoonstelling in een ruime, moderne galerie in Amsterdam. Hij exposeert zo’n zeventig foto’s; alles vakkundig afgedrukt, ingelijst en opgehangen. Je zou foto’s verwachten van herkenbare plaatsen in Rome, landschappen of straatbeelden, gebouwen en mensen, maar aan de muren hangen allemaal bewerkte foto’s van situaties binnenshuis, donker en somber. Het zijn vooral close ups. De fotograaf heeft, bijvoorbeeld, zijn schoenen gefotografeerd en het bed waarin hij en zijn vriendin sliepen toen zij een week op bezoek was, de tafel waaraan zij ontbeten. Ook een foto van het bed toen ze weer weg was. Er hangen ook wel straatbeelden, van een markt bijvoorbeeld, maar die foto’s zijn zo bewerkt dat je er eigenlijk nauwelijks iets van herkent. Bij de opening van de tentoonstelling zijn aardig wat mensen, familie en vrienden, maar die praten meer met elkaar dan dat ze naar de foto’s kijken. Het is druk en er wordt gelachen. Daarna is de ruimte verstild, wekenlang. Er komen nog wel mensen binnen; ze bekijken een paar foto’s, kijken even de zaal door en gaan dan snel weer weg. De fotograaf heeft ook nog een ontmoeting met een andere fotograaf. Die is lyrisch over de foto’s en heeft alle lof voor de uitdrukking en sfeer. Als de expositie voorbij is, verdwijnen de foto’s in een ladekast; niets verkocht. In de maanden erna haalt hij nog wel eens foto uit de kast, om aan iemand te laten zien. Daarna niet meer.
Was dat weggegooid geld? Is dit een uitvloeisel van nutteloze subsidieregelingen, een linkse hobby? Nee. Het was goed om te proberen, maar het experiment is mislukt. Het is goed dat die kansen voor kunstenaars bestaan, het maakt hun horizon breder, het zijn experimenten waarvan de resultaten pas veel later in de persoonlijke ontwikkeling zichtbaar worden. Je moet die subsidieregelingen ook eigenlijk niet individueel bekijken. De ene keer gebeurt er iets moois, de andere keer levert het niks op. Zo beoordelen we ook niet het wetenschappelijk onderzoek. Er gaan miljoenen naar onderzoek voor kanker en aids en duizenden mensen wereldwijd werken krijgen de kans om eraan te werken. We rekenen al dat onderzoek toch niet af op het werk van één onderzoeker die de oplossing niet vindt! Bij kunst hebben we die neiging helaas wel. En de kunstenaar, in dit geval de fotograaf: die heeft de keus! Luistert hij naar die ene bezoeker die zijn werk begreep, of luistert hij naar al die anderen die er geen oog en interesse voor hadden?

Ik probeer de raad die de dichter Billy Collins me gaf in praktijk te brengen en de gedichten van Albertina Soepboer tegen het licht te houden als een kleurendia en ze niet op een stoel te binden en ze te dwingen tot een bekentenis, tot betekenis! Maar het valt me niet mee, het lukt me niet. Ik ben wel tien keer opnieuw begonnen met lezen, maar ik strand steeds halverwege. Het lukt me niet om de bundel uit te lezen. Ik moet tot de conclusie komen dat de gedichten me niet interesseren. Ze beklijven niet, het is me te donker, te bewerkt, te privé. Er zitten best wel mooie zinnen tussen en dan gloort er opeens licht aan de horizon, maar dan gaat in een volgende zin de deur weer dicht. De gedichten openbaren zich niet aan mij. Misschien wil ik te graag en lees ik te mannelijk?

Wie mijn poëzierecensies wel eens leest, die weet dat ik wel vaker een poëziebundel onder de neus duw van Mark, mijn zoon, achttien inmiddels. Ik gaf hem en zijn nieuwe vriendje de opdracht om, terwijl ik kookte, zich in een van de gedichten te verdiepen. Al vrij snel hoorde ik boze reacties op de achtergrond! Ze misten de interpunctie en verder konden ze er geen touw aan vastknopen. Heb ik ze ook wel eens aan het lachen gekregen met rare gedichten, deze gedichten leken hen te deprimeren. Mij ook. Ik probeerde hun aandacht nog vast te houden, maar ik moest ze in mijn hart gelijk geven.

Het is een mooi vormgegeven, dikke bundel met 143 pagina’s. Het gaat om zeventig sonnetten, waarvan de helft ook in het Fries zijn opgenomen. Vertaald? Al zijn sommige woorden volkomen anders (alle miggen = alle vliegen, rispinge = oogst) en anderen herkenbaar als je het Nederlands ernaast ziet (ljocht = licht,simmernacht = zomernacht, weet = water, twadde = tweede), toch zou ik niet willen spreken van vertalingen. Dat zeg ik door de woordvolgorde: de zinnen in het Fries hebben exact dezelfde woordvolgorde als de zinnen in het Nederlands. Het is goed voor de Friese taal, maar voor mezelf zie ik er weinig  voordeel in. Is het doorgaans bij vertalingen goed dat het origineel ernaast staat, zodat de lezers de kans krijgen om wat bij de vertaling verloren is gegaan weer terug te vinden, in dit geval is er niets verloren gegaan, er staat precies hetzelfde, maar dan in het Fries. De Friezen lezen het Fries, ik lees het Nederlands.
Goed. Zeventig – vrije – sonnetten dus, waarvan sommige geschreven zijn in Rome; halverwege kwam ik opeens in Indonesië terecht. Albertina Soepboer kreeg een werkbeurs van Stichting Fonds voor de Letteren. De bundel gaat over reizen, de zee, over een liefde die gemist wordt en op bezoek komt, vogels, maar zoals ik al schreef: ik heb op het geheel geen vat kunnen krijgen en ik las de bundel ook niet als gedichten die elkaar opvolgen. Maar daar zal de dichter het ongetwijfeld mee oneens zijn, en inderdaad, als je kijkt naar de opbouw en de indeling, dan suggereert dat een consistent bouwwerk! De bundel bestaat uit 2 delen (1: pleisterplaatsen en 2: het nest), waarvan ieder deel uit zeven delen . En als je die titels achter elkaar legt, dan lijkt er ook iets van een poëtisch verhaal te ontstaan, zoals hier: avondsterre – de brief – de komst van de engel – traandauw – rondedans – weer onderweg. Sommige gedichten zijn ook niet zo ondoordringbaar als ik net heb doen voorkomen; ze zijn op momenten poëtisch, romantisch, verlangend, maar als de zinnen me dan lijken te gaan boeien, dan weten andere zinnen mijn aandacht weer te verstikken. Ik zal twee gedichten in zijn geheel citeren, flora en gekko spreekt, willekeurig gekozen. Dan is het aan u, lezer, om te beoordelen of u de bij de tentoonstelling van de fictieve fotograaf die ene bezoeker bent die lyrisch is en het werk volledig meevoelt, of dat u hoort tot de overgrote meerderheid die even kijkt en weer doorloopt.

flora

iemand zegt het aan en in het ronde oor ligt haar naam
zachte bol die op de wind gekomen is , ze is gaan rusten
in een triest weiland en denk maar aan andere dagen
denk maar niet aan de drukkende nacht, de hand op het veld

wat al lang verbrand was: de monsters van haar
bange lippen, de hoge hakken, zo tiktakkend op
zwart en die zeiden dat zij het was, dat hij het zocht
de hel met uitzicht, lachende lelie, dode maagd

’s ochtends opent de fontein in gras: een kat springt
op me af, vraagt om melk, woelt door mijn haren
ik herken de schrijvershand, dat scherpe inzicht van

wat rijkdom is: vale tinten aan een lucht, rood blad
bovenarm in dunne stof, mannenbeen naast haar
en onder haar, zijzelf, weer, de handen vol van aarde

gekko spreekt

ja, de woorden zijn anders, ik worstel maar niet
het spreekt als de voorkant van het oog, ja, het woord
zoekt de harde achterkant, de hoogte, de nacht
zwemt voorbij over de maan, verbreekt banden

en ik reis de wereld over, van Singapore over
Sumatra, Soerabaja en verder, hoe te vangen
als water in mijn keel opzet, warmte van mango
het hele lichaam smelt en het andere o zo helder wordt

als gekko lenig komt en dan naast me kruipt
de stem zet uit als een spreekmond die groter is
dan het kleine lijf, voorbijschietende ogen, de staart

van stilte eet hij, wat de betekenis is, wat hij zegt
over een huis ergens anders, de zee en dit huis hier
ik tel de woorden van gekko, we lachen voorzichtig